De historie van het schutters- en gildewezen

De stamboom van schutterijen

De schutterijen in Nederlands en Belgisch Limburg zijn een bijzondere loot aan de stam van schutterijen. In hun kleurrijke uniformen presenteren zij zich ieder jaar in de optocht van het Oud Limburgs Schuttersfeest. Het Oud Limburgs Schuttersfeest is een bijzonder schuttersfeest, zowel in grootte als wat betreft de deelnemende schutterijen. Toch zijn de Limburgse schutterijen niet uniek. In hun gebruiken en tradities hebben de schutterijen in het Limburgse Maasdal grote overeenkomsten met schuttersgilden elders in Nederland, België of in andere landen waar het schutterswezen verspreid is.

Stedelijke Schutterijen en Gilden als voorouders

Want dat de diverse schutterijen, zoals zo thans bestaan, ‘gemeenschappelijke voorouders’ hebben wordt duidelijk als we de ‘schutterijenstamboom’ bespreken. De wortels van het schutterswezen zouden in Vlaanderen en Brabant liggen, waar in het begin van de veertiende eeuw de eerste schutterijen ontstaan zouden zijn. Op zijn beurt wortelt het schutterswezen in de gilden. De stedelijke nijverheid was opgebouwd rond de ambachtsgilden in de stad. De organisatie van de gilden en het gildenwezen in het algemeen zijn nog vele eeuwen ouder dan de schutterijen, maar als we naar de oorsprong van het huidige schutterswezen kijken, dan vinden we die zoals gezegd in het veertiende eeuwse Vlaanderen en Brabant. Vandaar heeft het schutterswezen verspreiding gevonden in diverse steden. Hier hebben de schutterijen enkele eeuwen lang bepaalde functies vervuld.

Vergelijking tussen schutterijen

Vanuit de steden raakt het schutterswezen verspreid op het platteland. Al in de zestiende eeuw komen we schutterijen in de dorpen tegen, ook in Limburg. Veel van de plattelandsschutterijen zijn tot op heden blijven bestaan. Ondanks dezelfde herkomst heeft elke streek met z’n schutterijen een eigen ontwikkeling doorgemaakt. Dat de schutterijen heden ten dage niet allen dezelfde verschijningsvorm hebben, blijkt bij een vergelijking tussen de schutterijen, zoals ze vandaag de dag in diverse landstreken en landen voorkomen. We zetten enkele verschijningsvormen kort op een rijtje zonder uitputtend te willen zijn.

Brabantse schuttersgilden

Als we naast de Limburgse schutterijen de Brabantse schuttersgilden zetten, dan blijkt dat de Brabanders zich doorgaans in gildenkledij vertonen. In de optochten wordt het gilde voorafgegaan door een of twee tamboers met een diepe trom. Er wordt niet gemarcheerd, maar de Brabanders schrijden voort op het monotone ritme van de gildentrom. Dikwijls maakt een aantal vendeliers deel uit van het gilde. In Brabant wordt grote waarde gehecht aan oud koningszilver en oude geschriften.

Kempische schuttersgilden

In de Kempen komen diverse gilden voor die gekleed gaan in de blauwe boerenkiel, voorzien van een rode zakdoek rond de nek en met zwarte pet. Deze gilden hechten niet zo’n grote waarde aan het uiterlijk vertoon. Zij zijn er voornamelijk voor het eigen dorp en het onderling vermaak.

De ‘Schützengesellschaften’ in België

De zogenaamde ‚Ostkantons’, dit is de Duitstalige streek rond Eupen, kent haar eigen ‘Schützengesellschaften’. Deze gaan vaak gekleed in een zwart kostuum met een hoge hoed op. Een sjerp en diverse medailles complementeren het beeld. Deze schutterijen zijn niet voorzien van muziekkorpsen, of het beperkt zich tot een enkele tamboer per vereniging.

Duitse ‘Schützenvereine

De Duitse schutterijen zijn weer anders. Zij dragen doorgaans het Jagergroen na het verbod op uniformen na de beide Wereldoorlogen. Duitsland kent enorm veel schutterijen, wel ettelijke duizenden. Met dergelijke hoeveelheden zijn er uiteraard onderlinge verschillen maar in hoofdlijn draagt de Duitse schutter een groen jasje met daaronder een wit overhemd met stropdas en een jagerhoedje. De commandant draagt een sabel. De verenigingen zijn vaak niet zo omvangrijk en zijn zeer actief met de schietwedstrijden.

Verre verspreiding van het schutterswezen

Het schutterswezen is verder verspreid dan de boven beschreven typen schutterijen. In Nederland zijn bijvoorbeeld  ook schuttersgilden in Zeeland en Gelderland. Internationaal gezien komen we buiten Nederland, België en Duitsland schutterijen tegen van Noord-Frankrijk, Oostenrijk, Noord-Italië tot in Polen. De stamboom van de schutterijen is dus enorm groot geworden en de takken van de boom zijn zeer talrijk en wijdvertakt. Op vele plaatsen, verspreid over met name Noord-West Europa, zijn schutterijen actief. De schuttersboom bloeit als nooit tevoren.

De stedelijke schutterijen

De schutterijen zijn ontstaan in de steden. Zoals in de schuttersstamboom reeds aangehaald komen we de eerste schutterijen in de veertiende eeuw in de steden van Vlaanderen en Brabant tegen, van waaruit het schutterswezen verspreid is over andere steden. Volgens een andere opvatting waren er al stedelijke schutterijen in de dertiende eeuw. Hoe dit ook zij, de oudste schutterijen in de Limburgse contreien zijn gedocumenteerd in Tongeren en Maastricht in het laatste kwart van de veertiende eeuw.

Schutterijen met boog en geweer

De meeste steden hebben meer dan één schutterij gekend. Deze zijn in de loop der tijden opgericht. Dikwijls was er sprake van een handboogschutterij en een voetboog- of kruisboogschutterij. De handboog wordt door de schutter zelf met zijn armen gespannen. Bij de kruis-of voetboog wordt met een hulpmiddel spanning op de boog gebracht. Dit maakt dat de kracht en precisie van de kruis-of voetboog veel groter is dan bij de handboog. De pijl en boog waren bij uitstek een wapen voor een strijder die niet te paard was. De Guldensporenslag in 1302 in Vlaanderen had bewezen dat een sterk grondleger, gewapend met bijl en boog en met pieken het kon winnen van een leger te paard. Naarmate de stand van de wapentechniek zich ontwikkelde kwamen er ook in de steden geweerschutterijen, de zogenaamde haakbuksschutters of bussen schutten. De meeste van hen ontstonden in het begin van de zestiende eeuw.

Sociale, religieuze en militaire functies

De stedelijke schutterijen kenden gezamenlijk maaltijden voor de schutters. Door het stadsbestuur werden gelden ter beschikking gesteld, waarmee de schutterij haar onkosten betaalde. Dikwijls kreeg de stedelijke schutterij bepaalde voorrechten van de overheid. Zij had bijvoorbeeld het alleenrecht om bepaalde zaken te verkopen of verpachten en de opbrengsten daarvan te houden. Dit zijn de privileges van het gilde, die van stad tot stad verschilden. Indien de geestelijkheid van de stad een processie hield, dan waren de schutterijen hierin vertegenwoordigd. In de steden waren schietwedstrijden, bijvoorbeeld voor het Koningsschap. Tevens werd geregeld geoefend met de boog of het geweer, zodat de schutters de vaardigheid hadden om goed te schieten. Veel schutterijen in de steden hadden in de Middeleeuwen namelijk een rol indien hun stad een oorlog voerde. Als de stad belegerd werd moesten de stedelijke schutterijen hun stad mee verdedigen of op last van de landsheer de belegeraars buiten de wallen bevechten. Van diverse schutterijen dienden de leden zelf een eed van trouw aan de landsheer af te leggen om deze in geval van nood te steunen. Soms waren onrustige tijden met de dreiging van onlusten reden om de schutterijen ten stadhuizen te ontbieden om opnieuw trouw te zweren. In later tijden voorzien de landsheren zich van een staand leger aangevuld met huurlingen. De schutterij heeft dan haar rol in de stadsverdediging verloren en ontplooit sindsdien – indien ze kans ziet om zich te handhaven – voornamelijk sociale bezigheden.

Het Landjuweel: Een schuttersfeest

Bovendien was er bij de stedelijke schutterijen sprake van schuttersfeesten, de zogenaamde Landjuwelen. Als in een stad een landjuweel werd georganiseerd dan trokken de stedelijke schutterijen van ver uit de omtrek daarheen. Dikwijls werden de deelnemende schutterijen door hun eigen stadsbestuur in nieuwe kledij gestoken om op een goede wijze de stad in den vreemde te vertegenwoordigen. Bij gelegenheid van het Landjuweel trok een optocht door de stad en waren er schietwedstrijden. Tevens waren er prijzen voor de zogenaamde kamers van retorica, die intellectuele voordrachten hielden of kleine toneelstukjes opvoerden. Na de Middeleeuwen komen deze Landjuwelen niet meer voor. Ze worden niet overgenomen door de plattelandsschutterijen. Pas sinds de negentiende eeuw zijn de schuttersfeesten na enkele eeuwen weer terug van weggeweest.

Schutterijen op het platteland

Vanuit de steden sloeg de vonk van het schutterswezen over naar het platteland. Ongeveer in het begin van de zestiende eeuw komen er al op enkele plaatsen schutterijen ten plattenlande voor. In de loop van de zestiende eeuw groeit dit aantal plattelandsschutterijen, neemt sterk toe in het begin van de zeventiende eeuw en blijft ook in de volgende eeuw gestaag toenemen.

Staatkundige lappendeken

Er wordt gesproken over de schutterijen op het Limburgse platteland. Maar we moeten toch realiseren dat noch Limburg, noch de daarin voorkomende schutterijen een eenheid vormen. Wat Limburg betreft; de huidige provincie bestond nog niet. Verschillende heren maakten de dienst uit in streken die thans de provincie vormen. Zo was een stukje voor de Republiek der Nederlanden, heerste de Spaanse koning, over bepaalde streken, had de hertog van Gulik over andere delen zeggenschap, net zoals de vorstinabdis van Thorn of de prins-bisschop van Luik. Andere dorpjes daarentegen waren zelfstandig onder een lokale heer. Het huidige Limburg was in de 16e, 17e en 18e eeuw een zogenaamde staatkundige lappendeken. Omdat er zoveel verschillende heren de dienst uitmaakten is er ook geen sprake van een eenheid in de schutterijen die in de diverse streken actief waren. De staatkundige versnippering had ook gevolgen voor de lokale schutterijen. We zullen daarom de geschiedenis van de schutterijen op hoofdlijnen bespreken.

Broederschapswezen

De schutterijen hebben wat de structuur betreft veel overeenkomsten met de broederschappen. Deze laatste functioneren voornamelijk op kerkelijke basis. Zij gedenken hun overleden leden en vormen ook sociale verenigingen door bijeenkomsten en gezamenlijke activiteiten. De broederschappen worden in de Middeleeuwen genoemd en kwamen zowel in de steden als in de dorpen voor. Zo zouden diverse schutterijen uit broederschappen zijn voortgekomen. Feit is dat de schutterijen ettelijke kenmerken hebben, die ook binnen het broederschapwezen voorkwamen. Het schutterswezen kent daarnaast ook eigen specifieke karakteristieken, waarvan het koningsvogelschieten wel het meest kenmerkende voorbeeld is.

Het koningsvogelschieten

De schutterijen op het Limburgse platteland kenden een aantal activiteiten. Ook in de zestiende eeuw en later was er al het koningsvogelschieten om te bepalen wie de nieuwe koning voor dat jaar zou worden. Het principe van het koningsvogelschieten is zeer oud, veel ouder nog dan de oudste schutterijen. Deze oeroude schietwedstrijd hield het volgende in. Wie het laatste restje hout van de paal schoot werd koning voor een jaar en moest een zilveren schild met zijn naam en het jaar van zijn koningschap geven. Vaak waren er nog andere verplichtingen voor de nieuwe koning, zoals bijvoorbeeld een feestmaaltijd voor alle schutters. Dat de schutters in de dorpen buiten het koningsvogelschieten nog vaker bij elkaar kwamen om zich te oefenen in het schieten, kan nauwelijks aan de hand van het bronnenmateriaal bewezen worden.

Op religieuze basis

Schutterijen zijn door de eeuwen heen verenigingen gebleven, die ook een nadrukkelijk godsdienstig karakter hebben, Zo kozen de schutterijen een patroonsheilige, waar Sint Sebastianus, Sint Martinus en Sint Antonius veel voorkomende voorbeelden van zijn. Sommige schutterijen hadden zelf een gildenaltaar in de Kerk, ter ere van de patroonheilige van de vereniging. Elke patroonheilige heeft een dag op de kerkelijke kalender dat hij speciaal vereerd wordt. Dat is de patroonsdag. Een Sint Sebastianus-schutterij houdt bijvoorbeeld op of rond 20 januari haar patroonsfeest, de dag ter ere van de Heilige Sebastianus. Dit was bij uitstek de gelegenheid om ter kerke te trekken en in de Heilige Mis de overleden leden te herdenken. Wanneer de processie trok, dan was de schutterij hierbij aanwezig om deze te begeleiden. Dit staat nagenoeg in de meeste reglementen voor de schutterijen uit die tijd vermeld en was een uiterst belangrijke en eervolle taak voor de schutters. Want in de processie, dit is de rondgang met het Allerheiligste, toonde de katholieke dorpsgemeenschap waar zij in geloofde. Het was een bijzonder voorrecht om in deze processie een rol te mogen spelen.

Een sociale vereniging

Een belangrijke zowel sociale als kerkelijke activiteit van de schutterij is het begraven van de overleden leden. Bij sommige schutterijen werden lange lijsten bijgehouden van alle leden die stierven als schutterslid. Kennelijk vonden de aangesloten leden het belangrijk om na hun overlijden herdacht te worden in de memoria van de schutterij en waren zij gebaat bij de wetenschap dat bij hun overlijden de schutterij hen ten grave zou dragen. Er waren diverse bijeenkomsten waarbij de schutters gezamenlijk de maaltijd gebruikten en/of bier dronken. Hieruit spreekt het sociale karakter van de schutterij. Dikwijls werd er gezamenlijk gegeten en gedronken bij gelegenheid van het patroonsfeest van de schutterij. Zo dicht hangen de sociale en religieuze activiteiten tegen elkaar aan.

Assistentie bij bestrijding van de misdaad

In weinig reglementen is er sprake van, maar de plattelandsschutterijen hebben zich ook wel bezig gehouden met het opsporen en arresteren van misdadigers en ze waren vaak present bij het uitvoeren van een justitieel vonnis, zoals het ophangen van een veroordeelde. Aldus stonden de schuttersleden de schout terzijde, wanneer deze aan extra mankracht behoefte had. Zoals bij de stedelijke schuttersgilden, kenden ook enkele schutterijen op het platteland de verplichting dat de leden een eed van trouw aan de landsheer moesten afleggen. Dat verplichtte de schutters hun heer in voorkomende gevallen de helpende hand te bieden.

De samenstelling; Rangen en standen

De schutterijen in Zuid-Limburg kenden van oudsher een militaire rangindeling. Zo was er sprake van een kapitein, die de bevelen gaf de groep commandeerde. Onder hem was er nog een luitenant en soms enkele sergeanten. Tevens was er een vaandeldrager, die het verenigingsvaandel droeg. Zoals reeds vermeld was er een koning en mogelijk een keizer. Het bestuur werd gevormd door een secretaris en enkele schuttemeesters. Meer noordelijk in Limburg werd het bestuur gevormd door een aantal dekenen, zoals deze ook in de gilden voorkomen. Momenteel zijn de schutterijen voorzien van een uitgebreid muziekkorps. Dat was in vroegere eeuwen wel anders. Muzikanten maakten geen deel uit van de schutterij. Bij speciale gelegenheden, zoals het begeleiden van de processie werd een tamboer en soms ook nog een fluitspelen ingehuurd.

Eeuwenoud Koningszilver

Onze kennis van de schutterijen in de zestiende tot en met de achttiende eeuw is gebaseerd op een aantal bronnen. Een belangrijk overblijfsel is het koningszilver, de persoonlijke trots van elke vereniging. Zoals gezegd was het gebruikelijk dat elke schutters die de koningsvogel afschoot een zilveren plaat gaf met het jaar van zijn koningsschap en zijn naam. Diverse schutterijen beschikken als gevolg hiervan over een zilverschat, met oude schilden uit de zestiende en zeventiende eeuw. Bij het koningszilver hoort ook een zilveren koningsvogel, dikwijls een bijzonder stukje edelsmeedwerk. Niet zelden grijpen de koningsschilden terug op een ver verleden. Daaruit blijkt al hoe oud het koningsvogelschieten is. Het is een traditie die tot op heden in stand wordt gehouden. Sterker nog, deze traditie leeft en is typerend voor de schutterijen.

De oude papieren

Andere bronnen kunnen bestaan uit oude stukken, zoals een reglement van de schutterij. Vaak gaf de heer van het dorp aan de vereniging een reglement, waarin bepaald werd wat de rechten en plichten waren van de schutterij en van de afzonderlijke leden. Dankzij de reglementen kunnen we veel activiteiten en gebruiken van de schutterij achterhalen. Niet zelden had de schutterij de beschikking over land, dat zij verpachtte. Van de opbrengsten konden de onkosten van de vereniging bestreden worden. Ook zijn er nog wel rekeningen voorhanden, waarin de pachtopbrengsten genoteerd worden of de aanschaf van bepaalde attributen is opgeschreven. Soms zijn er ook nog stukken van de schepenbank, waaruit blijkt dat de schutterijen een juridische strijd hebben uitgevochten of een bepaalde rol hebben gespeeld ten dienste van schout en schepenen.

De Franse tijd

De inval van de Fransen in 1794 legde voor een tijd het kerkelijke en culturele leven stil. Formeel werd het bezit van kerken en abdijen, alsmede dat van broederschappen en schutterijen geconfisqueerd. In de praktijk wist men een groot deel van die bezittingen uit handen van de Franse bezetters te houden, zodanig dat na een aantal jaren van inactiviteit de draad weer kon worden opgepakt. Bovendien moeten we een onderscheid aanbrengen binnen de Franse tijd. Toen Napoleon de dienst uitmaakte en hij in 1801 het Concrodaat met de Paus had gesloten, zien we her en der de schutterijen weer actief worden. Dat blijkt uit de zilveren koningsplaten bij veel verenigingen uit 1803 en volgende jaren.

Het Koninkrijk Nederland

Diverse schutterijen kwamen tijdens het Franse bewind al tot opbloei, anderen grepen hun kans aan toen in 1814 het koninkrijk Nederland ontstond. Er zijn echter ook schutterijen, die – eenmaal opgeheven – met de inval van de Fransen een rustperiode van langere tijd tegemoet gaan. In de eerste helft van de negentiende eeuw wijken de activiteiten van de schutterijen weinig af van die uit eerdere tijd. Zo werd de koningsvogel geschoten, werd de processie begeleid, werden overledenen begraven en herdacht, werd eventueel een patroonsfeest gevierd  en konden er gezamenlijk maaltijden gehouden worden of werd broederschappelijk iets gedronken.

Heropleving van het schutterswezen sinds 1870

We hebben de ontwikkeling van de schutterijen op het platteland gevolgd tot het midden van de negentiende eeuw. Na die tijd vinden ingrijpende wijzigingen plaats, die het schutterswezen een ongekende opbloei geven. Nieuwe elementen worden eraan toegevoegd, oude karakteristieken krijgen een nieuw elan. En niet zonder gevolgen.

De invloed van de zware buks en het prijsschieten

De opvallende veranderingen kwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Op diverse plaatsen werd buiten de gebruikelijke bezigheden het prijsvogelschieten georganiseerd. Wie deze vogel afschoot werd niet de nieuwe koning van de schutterij, dat werd op een ander tijdstip uitgeschoten, nee de winnaar van het prijsvogelschieten kreeg een prijs, variërend van een gebruiksvoorwerp tot geld. Was het bij de schutterijen tot die tijd gebruikelijk om met achterladers of andere militaire geweren te schieten, rond 1870 werd als nieuw wapen de zogenaamde zware buks geïntroduceerd. Deze buks werd niet meer in de optocht meegedragen, zoals dat met de overige schutterijgeweren gebeurt. Nee, de zware buks is een zwaarder geweer met een grotere kogel dan gewoonlijk, die speciaal voor de schietwedstrijden werd aangeschaft. De kogels voor dit geweer worden vanwege de uitzonderlijke maten door de schutters zelf gegoten en hierbij worden de hulzen gebruikt, die speciaal voor deze zware buks gemaakt zijn.

Opkomst van het schuttersfeest

Bovendien werden her en der schuttersfeesten gehouden, waarvoor de schutterijen in de omliggende dorpen uitgenodigd werden. Bij gelegenheid van deze feesten trok een optocht door het dorp van de organiserende schutterij, waarin naast de deelnemende schutterijen ook de overige culturele verenigingen uit het dorp meetrokken. Na de optocht kwam de schietwedstrijd aan de beurt. Hier werden dikwijls behoorlijke geldprijzen voor uitgeloofd. Het schuttersfeest ontwikkelde zich in sneltreinvaart. Was het in de beginfase slechts een incidenteel schuttersfeest dat per jaar bezocht werd, binnen een tiental jaren werd het schuttersfeest een van de belangrijkste activiteiten van de schutterijen. De deelname van schutterijen nam enorm toe en er werden behalve voor het schieten diverse andere prijzen uitgeloofd, voor de beste optocht, de mooiste generaal, de beste tambour-maître enz.

Nieuwe en oude schutterijen opgericht

Er vindt als gevolg van een aantal factoren tegelijk een enorme opleving plaats van het gehele schutterswezen. In het laatste kwart van de negentiende en het eerste kwart van de twintigste eeuw worden zeer veel schutterijen nieuw opgericht of wordt oude niet meer actieve schutterijen nieuw leven ingeblazen. Op tal van plaatsen steekt het schutterswezen de kop op en er worden meer schutterijen opgericht dan ooit tevoren.  

Het Limburgse platteland kende een normen- en waardepatroon dat sterk door het Rooms-katholicisme gevoed werd. Bisschop Paredis van Roermond trachtte de invloed van de Rooms-katholieke kerk nog uit te breiden en slaagde hier op het platteland het beste in. Met deze uitbreiding van de kerkelijke invloed in het laatste kwart van de negentiende eeuw werden de schutterijen in hun verhouding tot de Rooms-katholieke Kerk bevestigd en gestimuleerd.

Koninklijk Erkende Weerbaarheidsverenigingen

De stimulans voor de oprichting van schutterijen werd nog versterkt doordat de landskoning Willem III in het kader van een legerhervorming naar aanleiding van de Franse-Duitse oorlog (1870) ook aan diverse lokale verenigingen de gelegenheid bood om zich vrijwillig aan te melden om een rol te spelen indien het vaderland aangevallen zou worden. Diverse schutterijen gingen op dit aanbod in en melden zich hiervoor aan als zogenaamde weerbaarheidverenigingen, die koninklijk erkend werden. De nood kwam echter niet aan de man, zodanig dat de schutterijen niet daadwerkelijk in het kader van de landsverdediging zijn ingezet. Deze schutterijen kregen evenwel geweren en werden geacht zich de exercitie meester te maken. Het exerceren werd naast het schieten een zeer belangrijke wedstrijd tijdens het schuttersfeest, met name in Zuid-Limburg.

Van zondags pak naar uniform

Zoals we reeds gezien hebben kenden de schutterijen een militaire rangindeling. Tegen het einde van de negentiende eeuw gaat de schutterij, die tot dan toe in zondags pak met pet en sjerp gehuld was, zich steeds meer voorzien van militaire onderscheidingstekens. De een had nog een uniform van dat legeronderdeel, de ander had nog een sjako, van zijn grootvader die onder de Fransen had moeten dienen. De volgende stap was een volledige uniformering van alle schutters. In Zuid-Limburg vindt dit vlak na 1900 plaats. Het uniform voor de gehele schutterij zorgde voor groepsgevoel wanneer de schutterij uittrok en werkte herkenbaarheid in de hand als de schutterij in de optocht van een schuttersfeest in een ander dorp marcheerde en zich tijdens dit feest met met andere schutterijen. Bovendien is het een uiting van het militaire karakter, dat kenmerkend is voor de Limburgse schutterijen en waar met name in Zuid-Limburg sterk de nadruk op werd gelegd.

Uniform en militarisme

Vanouds hebben de schutterijen een militair karakter, dat bleek reeds uit het rangenstelsel. Was in de zeventiende en achttiende eeuw de kapitein of kolonel de hoogste in rang, in de negentiende eeuw werd zelfs de rang van generaal aan de schutterij toegevoegd. Na 1900 volgde de complete uniformering van de verenigingen. Werden lange tijd alleen uniformen gedragen die ooit hoorden bij een onderdeel van het Nederlands leger, tegenwoordig is dit principe losgelaten en worden bijvoorbeeld ook Amerikaanse en Italiaanse uniformen gekozen. Ook zijn nieuwe functies gecreëerd, die geen binding met het schutterswezen hadden, maar die enkel en alleen een militaire traditie hebben. Een voorbeeld hiervan is de marketentster, die vroeger niet bij de schutterij voorkwam, maar waarvan wel bekend is dat zij eertijds met de legers meetrok. De eerste marketentster trok in 1973 mee en heeft sindsdien veel navolging gevonden. Het militaire karakter is derhalve een eeuwenoud kenmerk van de schutterij. Een uiting hiervan is de exercitie die beoefend wordt tijdens het schuttersfeest.

De vrije schuttersfeesten

De schuttersfeesten die georganiseerd werden, waren zogenaamde Grote Internationale Schuttersfeesten. Internationaal omdat ook de schutterijen uit het nabijgelegen België of de grensstreken van Duitsland werden uitgenodigd om deel te nemen. Het zogenaamde ‘Maasoverschrijdende’ schuttersfeest kwam in zwang: wanneer Belgisch-Limburgse schutterijen een schuttersfeest aan de Nederlandse zijde bezoeken, moeten ze de Maas over en omgekeerd ook. Als oudste van de ‘Maasoverschrijdende’ staat dat van Sittard in 1857 bekend, waar schutterijen van beide zijden van de Maas aan deelnamen. Elke schutterij was vrij om een feest te organiseren. Het schuttersfeest werd bovendien een belangrijke bron van inkomsten voor de schutterij. Dikwijls inventief werd gezocht naar en goede aanleiding om een groots feest te organiseren, bijvoorbeeld een jubileum.

Oprichting van schuttersbonden

Naarmate de grote internationale schuttersfeesten aan populariteit wonnen, werden dergelijke feesten steeds meer en vaker georganiseerd. Om de wildgroei van schuttersfeesten te regelen en te zorgen dat de feesten goed georganiseerd werden, werden de eerste schuttersbonden opgericht. De schutterijen die zich bij een bond aansloten verplichtten zich elkaars schuttersfeesten te bezoeken. Volgens een rooster kwamen alle bij de bond aangesloten verenigingen aan de beurt om een schuttersfeest te organiseren. De oudste bekendste schuttersbond werd in 1888 in Maasbracht opgericht. In 1896 werd de schuttersbond Eendracht-Maakt-Macht voor de schutterijen in de streek rond Weer opgericht. Dit is de oudste van de huidige schuttersbonden

De schutters in Noord-Limburg

Er is een verschil tussen het noorden van Limburg en het zuiden. In de verschijningsvorm uit zich dit in het feit dat in het noorden van Nederlands-Limburg de schutterijen ettelijke decennia langer in het zondagse pak blijven lopen met sjerp om en pet op. Het duurt vaak tot na de Tweede Wereldoorlog eer deze schutterijen zich volledig uniformeren. Daarentegen blijken de schuttersbonden in het noorden eerder van de grond te komen, rondom de eeuwwisseling. In het noorden richtten de schutters zich voornamelijk op het schieten en wellicht dat juist dit de vorming van schuttersbonden in de hand heeft gewerkt. De bond diende aldaar met name om de schietwedstrijden te regelen, iets waar zij nog steeds heel sterk in zijn.

De Belgisch-Limburgse situatie

In Belgisch Limburg zijn de schutterijen geconcentreerd in het noordoosten van de provincie, langs de Maas en in de buurt van de Nederlands grens. Ook in de andere streken van  Belgisch-Limburg zijn schutterijen actief geweest met name in de zeventiende en achttiende eeuw, maar deze zijn niet allen blijven voortbestaan. Bij de Belgische schutterijen in het Noordoosten, die rond de eeuwwisseling van 1900 actief zijn, zou het eveneens nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren eer deze schutterijen het zondags pak verwisselen voor het uniform. Ook hier heeft het schieten alle aandacht. Met de bonden wil het echter niet zo vlotten, die komen na de oorlog pas definitief van de grond. Dan pas verenigen de schutterijen in noordoost Belgisch-Limburg zich in schuttersbonden. Als verenigingen met een laag ledenaantal zonder veel uitgaven noch al te veel activiteiten weten de Belgische schutterijen zich door de moeilijke jaren te slepen.

De Zuid-Limburgse Schutterijen

In het zuiden van Nederlands-Limburg daarentegen zijn de meeste schutterijen rond de eeuwwisseling volledig in uniform. Deze verenigingen zweren echter langer bij het systeem van de vrije schuttersfeesten, waarbij de organisator alle schutterijen uit de omtrek uitnodigde. Hierin kwam pas verandering toen na 1900 veel andersoortig vermaak in de dorpen de kop opstak. Naast de schutterij en het zangkoor kwam er een harmonie of fanfare, een voetbalvereniging, een club wielrenners, een handboogvereniging en een duivenclub. Elke vereniging streefde naar zoveel mogelijk leden, zodat in veel plaatsen de oude schutterijen op de tweede plaats kwamen. Een andere complicatie was de crisistijd tussen de beide Wereldoorlogen, toen de mensen niet al te veel geld te besteden hadden en de verenigingen met moeite in stand gehouden konden worden. Het vrije schuttersfeest leverde geen goede opbrengsten meer. Daarom werd de schuttersbond opgericht om elkaar als schutterijen onderling te kunnen helpen: Elkaars Bondsfeesten bezoeken en samen de moeilijke tijd doorkomen, dat was de drijfveer voor de schuttersbonden.

Het Oud Limburgs Schuttersfeest

Het Oud-Limburgs Schuttersfeest (OLS), zoals we dat thans kennen heeft zijn wortels in de Grote Internationale Schuttersfeesten., zoals die aan weerszijden van de Maas georganiseerd werden. Eén bepaling maakte het feest bijzonder. De schutterij die de schietwedstrijd wint mag het in het daaropvolgende jaar organiseren. En zo is het vandaag de dag nog. Vanwege deze bepaling zat er continuïteit in dit schuttersfeest, omdat het elk jaar opnieuw georganiseerd werd.

Het Zuid-Limburgs Federatiefeest

Op het OLS kwamen de schutterijen uit de beide Limburgen bij elkaar. Doordat de schutters uit het noorden van Limburg en uit België zich toegelegd hadden op het schieten wonnen deze gewoonlijk de schietwedstrijden en mochten het OLS het volgend jaar organiseren. De Schutterijen uit Zuid-Limburg hekelden dit gebrek aan geografische spreiding. De zuidelijken hadden mooie uniformen, waren een lust voor het oog, wonnen doorgaans de nevenwedstrijden, maar konden het OLS niet organiseren, omdat ze de schietwedstrijd niet wonnen. De deelname van de zuidelijken was tanende. Zij begonnen in 1949 met een eigen schuttersfeest, het Zuid-Limburgs Federatiefeest (ZLF), dat éénmaal per jaar voor de schutterijen aangesloten bij de drie zuidelijke bonden (Zuid-Limburgse Bond, Bond Gerardus Amstenrade en bond Eendracht Born/Echt) worden georganiseerd. De organisatie van het Zuid Limburgs Federatiefeest was niet afhankelijk van het winnen van de schietwedstrijd, maar wordt aan de hand van loting toegewezen.

De Ut

In 1992 organiseerde schutterij Sint Agatha Haelen een schuttersfeest waaraan alleen maar dames aan deel mochten nemen. Dit schuttersfeest werd een onverdeeld succes. In het daaropvolgende jaar stond dit schuttersfeest op de agenda als ‘Limburgs Dames Schuttersfeest’ (LDS). In het begin ging de medewerking wat stroef. Oudere bestuurders zagen een schuttersfeest voor dames niet zitten. Het openstellen van het Oud Limburgs Schuttersfeest voor dames vond eveneens geen gehoor. Wellicht door het alsmaar toenemende succes van het L.D.S., werd een overkoepelende organisatie wenselijk. Op 12 september 1996 zag de Stichting Limburgs Dames Schuttersfeest het daglicht.. De Stichting L.D.S. ziet toe op naleving van de reglementen tijdens het L.D.S. Tevens ondersteunt de Stichting L.D.S. de organisatoren tijdens de voorbereidingen van een L.D.S. Evenals bij het L.D.S. geldt dat de winnende schutterij van het L.D.S. het recht heeft om het L.D.S. het daaropvolgende jaar te organiseren. In navolging van de succesvolle rol die ‘D’n Um’ speelt aan het einde van het O.L.S., liet de Stichting L.D.S. door kunstenares Truus Coumans ‘De Ut’ ontwerpen. Op 8 mei 1998 werd ‘de Ut’ voor het eerst uitgereikt aan het winnende drietal van Schutterij Sint Joseph uit Koningsbosch.

Evenwichtige opbouw van de OLS-schutterijen

De controverse noord tegenover zuid is grotendeels verleden tijd, voor wat betreft de organisatie van het OLS en de uniformering. In beide opzichten zijn de schutterijen uit de beide regio’s naar elkaar toegegroeid; de schutterijen uit Noord-Limburg en uit België zijn eveneens overgegaan op een volledige uniformering, hetzij in militair of fantasie-uniform, hetzij in gildenkledij. Bovendien zijn de zuidelijke schutterijen meer en meer in staat gebleken de schietwedstrijden van het Oud Limburgse Schuttersfeest te kunnen winnen en bovendien voor een goede organisatie van het Oud Limburgs Schuttersfeest in het daaropvolgend jaar te zorgen. Wat dat betreft heeft de Oud Limburgse Schuttersfederatie aan een evenwichtige opbouw van haar leden gewonnen en zijn deze ontwikkelingen ten goede gekomen aan het sportieve karakter van de diverse wedstrijden.

Introductie van de drumband

Een belangrijke ontwikkeling binnen het Limburgse schutterswezen als geheel is de uitbreiding van de muziek. Maakte in de jaren twintig en dertig slechts een of twee tamboers deel uit van de schutterij, in de jaren vijftig en zestig werd het aantal muzikanten danig uitgebreid, zodat sinds die tijd sprake is van heuse drumbands. Daarin zijn tal van variaties mogelijk, al naar gelang de samenstelling van de instrumenten, zoals klaroenkorps, jachthoornkorps, drumfanfare e.d.  De drumbands zijn belangrijk gebleken voor de schutterijen om de jeugd in de schutterij te halen. Met name jeugdigen spelen de marsmuziek in de drumbands. Het schutterswezen kreeg er nieuwe aantrekkingskracht door. De schutterij was niet alleen van belang voor leden die geïnteresseerd zijn in het schieten, de exercitie, in een culturele traditierijke en sociale vereniging, maar ook voor hen die muziek willen maken in een drumband.

De vrouwen

Nog steeds actueel is de kwestie welke rol de vrouw in de schutterswereld speelt. Ook hier zijn de meningen uiteenlopend. Sommige schutterijen kennen een sterke en oude traditie, dat de vereniging is samengesteld uit mannelijke leden, of waarbij enkel mannen koning kunnen worden. Deze opvattingen komen voort uit het normen-en waardenpatroon dat deze schutterij heeft gevormd. Andere schutterijen hebben alle posities binnen de vereniging opengesteld voor vrouwen, zoals het koningsschap of het dragen van het geweer. In de emancipatiestrijd van de vrouwen is inmiddels een schietwedstrijd alleen voor dames gecreëerd. Dit is het Limburgs Dames Schuttersfeest (LDS), waaraan de bij de Oud Limburgse Schuttersfederatie aangesloten schutterijen kunnen deelnemen. Aan de schietwedstrijd wordt door vele uit dames samengestelde drietallen deelgenomen. De schutterij van het winnende drietal mag het daaropvolgend jaar het Limburgs Damesschuttersfeest organiseren. In het jaar 2001 is het reglementair toegestaan om dames op te nemen in het zestal, welke mag schieten op het Oud Limburgs Schuttersfeest. Of men echter van deze mogelijkheid gebruikt maakt, beslist elke schutterij individueel.

Het schieten

Of de schutterijen kunnen blijven schieten, zoals ze eeuwenlang hebben gedaan, is nog maar de vraag. De overheid streeft ernaar het gebruik van lood terug te dringen. De Limburgse schutterijen schieten met loden kogels. Het streven van de overheid is erop gericht om te voorkomen dat lood in de bodem terecht komt. Schadelijke effecten hiervan zijn in de droge bodem nagenoeg nihil. Er zijn echter diverse ontwikkelingen, waaronder de kogelvanger, die de toename van het lood in de bodem moeten voorkomen. De kogelvanger is niet nieuw, maar wel sterk verbeterd. Boven op de schietboom komt een grote bak, die de kogels opvangt. Probleem was alleen dat de schutters gewend zijn om tegen de vrije lucht in te schieten en juist dit maakt het schieten zo gevarieerd omdat de lucht telkens verandert. De nieuwe generatie kogelvangers wordt voorzien van een doorzichtige achterkant, zodat het toch lijkt op het schieten tegen de vrije lucht. De bak waar de kogels tegenaan kletsen maakt echter nog veel lawaai.